49. Opstanding

Het verhaal van Moria was pas echt af met Jezus’ opstanding uit de dood

Als ik het gebeuren op de berg Moria tot me laat doordringen, moet Abraham op reis daar naartoe Isaak in zijn gedachten wel honderd keer verloren hebben. Zou hij zich niet keer op keer ingebeeld hebben hoe hij het ging aanpakken? Hoe hij het zijn zoon ging vertellen, hoe hij hem zou vastbinden, hoe hij hem uiteindelijk de doodssteek zou toebrengen?

Maar het verhaal wijst ook een andere kant op. Ik doel op de stelligheid waarmee hij onderaan de berg tegen zijn knechten, die met de ezel moesten blijven wachten, zei: ‘Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug.’1 Hoe kon hij weten dat Isaak weer met hem mee naar beneden zou komen?

Was hij soms van plan stiekem een nepslachting te plegen? Daar lijkt het verhaal niet op te doelen, want dat zou God, die exact weet wat er in mensen omgaat, dan toch wel in de gaten hebben gehad. En die zei na afloop: ‘Omdat je dit hebt gedaan, omdat je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, zal ik je rijkelijk zegenen.’2 Abraham was écht van plan Isaak te offeren.

Dit brengt ons in een lastig parket. Hoe kon Abraham geloven in Gods belofte dat Isaak hem nageslacht zou bezorgen en dus weer met hem de berg zou afdalen, terwijl hij tegelijkertijd oprecht van plan was hem te doden? De menselijke logica kan dit niet aan. Dood is dood en definitief. Dood is niet leven en lopen. Dat is wat de Bijbel onderwijst.

De enige oplossing voor dit vraagstuk is een antwoord out of the box. Dat wordt samengevat in de term ‘opstanding’. Abrahams woorden en daden kunnen alleen met elkaar in overeenstemming gebracht worden, als hij ervan overtuigd was dat God hem Isaak weer uit de dood zou teruggeven.3

Dit is in het bijbelverhaal de eerste hint naar Gods antwoord op de dood. Dat bevat geen onsterfelijke ziel of reïncarnatie, maar bestaat uit opstanding uit de dood. Hij die al het leven geschapen heeft, is in staat wat dood is opnieuw te scheppen.

Het verhaal van Moria is dan ook pas echt af, als bijna tweeduizend jaar later de werkelijke Zoon echt sterft en echt uit de dood opstaat. Daarmee hebben de woorden die God tenslotte tot Abraham richtte hun volle betekenis gekregen: ‘Omdat je dit hebt gedaan, omdat je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, zal ik je rijkelijk zegenen en je zoveel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn. … En door jouw nakomeling (zaad) zullen alle volken op aarde gezegend worden. Want jij hebt naar mij geluisterd.’4

Het kleine verhaal van Abrahams absolute vertrouwen op God is op zich mooi. Maar hoe dat een zegen aan alle volken op aarde zou brengen, dat ontgaat me. Pas als ik het lees in het licht van Gods grote verhaal, wordt het anders. Dan krijgt de belofte aan Adam en Eva over de bijzondere nazaat, die de kop van de slang zal verbrijzelen, alvast enige invulling.5 Wie kan zich een grotere zegen voorstellen dan de belofte dat de dood overwonnen zal worden?

1. Genesis 22:5
2. Genesis 22:16
3. Hebreeën 11:17-19
4. Genesis 22:16-18. Ik volg hier de alternatieve vertaling van de NBV, die bij Genesis 12:3 wordt aangedragen. Vrijwel alle Nederlandse en internationale bijbelvertalingen kiezen daarvoor.
5. Zie hoofdstuk 29

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.