210. Troon

Jezus kon in de hemel zijn Vaders troon bestijgen omdat hij de losser is

Toen we de plattegrond van Openbaring bespraken, hebben we gezien dat de middelste kolom (B) de hoofdas met drie vakken vormt.1 Die vakken beginnen telkens met iets dat in de hemel opengaat.

In het eerste vak van kolom B, de hoofdstukken 4 en 5, ziet Johannes dat er een deur in de hemel openstaat. God zit glorieus op zijn troon. Vier wonderlijke wezens prijzen hem aanhoudend: ‘Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.’ Vierentwintig ‘oudsten’ reageren telkens met: ‘U komt alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God, want u hebt alles geschapen: uw wil is de oorsprong van alles wat er is.’ Gods eeuwigheid en scheppingswerk geven redenen tot permanente aanbidding.

Dan komt er beroering. In zijn rechterhand houdt God een boekrol, die met zeven zegels is verzegeld. Wie mag de zegels verbreken en de boekrol openen? Tot Johannes’ verdriet mag niemand dat. Dan biedt een oudste troost: ‘want de leeuw uit de stam Juda, de telg van David, heeft de overwinning behaald, en daarom mag hij de boekrol met de zeven zegels openen.’ Hij gebruikt termen die bestemd zijn voor de messias.

Als Johannes vervolgens kijkt, ziet hij geen leeuw, maar een lam, dat eruit ziet alsof het geslacht is. Het heeft zeven horens en zeven ogen, ‘dat zijn de zeven geesten van God die over de hele wereld zijn uitgestuurd.’ Het lam ontvangt de boekrol en alle aanwezigen werpen zich neer. Ze zingen: ‘U verdient het om de boekrol te ontvangen en zijn zegels te verbreken. Want u bent geslacht en met uw bloed hebt u voor God mensen gekocht uit alle landen en volken.’

Honderden miljoenen engelenstemmen sluiten zich hierbij aan: ‘Het lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.’ Elk schepsel in het universum zegt: ‘Aan hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid.’ De vier wezens antwoorden: ‘Amen,’ en de oudsten werpen zich in aanbidding neer.

Dit is een prachtige beschrijving van de troonsbestijging van Jezus. In het Oude Testament ontvingen koningen bij hun inwijding een kopie van Gods wetsrol.2 Petrus legde met Pinksteren uit dat de uitstorting van de heilige Geest aangaf dat Jezus nu aan Gods rechterhand zat.3 De zeven ogen van het lam verbeelden dan ook de heilige Geest, die ‘over de hele wereld’ is uitgestuurd.
Bovenal vertelt dit vak dat Jezus lof verdient omdat hij de ‘losser’ van de wereld is. We zagen hoe Boaz aan Ruth en Noömi weer toekomst gaf, door uit liefdevolle zorg hun verpande land vrij te kopen.4 Bij het lossen hoort het openen van een verzegeld contract door het betalende familielid.5 Jezus heeft als lam het verlossende offer gebracht. Als ons ‘familielid’ heeft hij de losprijs voor de mensheid met zijn bloed betaald. Daarom mag hij de zegels verbreken. Het is typisch dat in Gods universum niet macht of invloed, maar juist de liefdevolle zorg van een losser hem geschikt maakt voor Gods troon.

Dit openingsvak van de as van Openbaring legt het uitgangspunt vast, waarop zijn tweede vak verder zal gaan. Jezus mag de mensheid dan wel verlost hebben en in de hemel regeren. Zijn kerk is nog op aarde en ondervindt veel last van de stuiptrekkingen van Satan. Die accepteert zijn verlies niet.

1. Dit hoofdstuk beslaat Openbaring 4 en 5. De citaten komen uit Openbaring 4:8; 5:5, 6, 9, 12 en 13. Zie hoofdstuk 208 voor de plattegrond.
2. Deuteronomium 17:18-20; zie ook 1 Samuel 10:25 en 2 Koningen 11:12
3. Handelingen 2:33
4. Hoofdstuk 84
5. Een voorbeeld daarvan staat in Jeremia 32:6-15