169. Laatste reis

Jezus’ nadruk op dienen, geven, zoeken en redden leidde tot geloof . . . en verraad

Jezus ging nu definitief met zijn leerlingen naar Jeruzalem.1 Hij vertelde hun dat hij zou worden veroordeeld, bespot, bespuwd, gegeseld en gedood. Na drie dagen zou hij weer opstaan. Maar dit nieuws kwam bij zijn leerlingen niet aan. Ze begrepen er niets van.
Ze snapten wel meer niet. Alsof Jezus helemaal niet had gewezen op het gevaar van zelfverhoging, vroegen donderstenen Jakobus en Johannes of ze in Jezus’ gloriekabinet rechts en links van hem mochten zitten. Ze beseften niet wat ze vroegen. ‘Kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken of de doop ondergaan die ik moet ondergaan?’, vroeg Jezus hen. Natuurlijk konden ze dat. Van de leerlingen zou Jakobus inderdaad als eerste worden geëxecuteerd en Johannes als laatste sterven. Maar verdere bijzondere posities kon Jezus niet garanderen.

De anderen waren hels. Weer legde Jezus zijn gekantelde visie uit: ‘Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken. Zo zal het bij jullie niet mogen gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal jullie dienaar moeten zijn.’ Jezus legde zijn omgekeerde waarden niet van bovenaf op. Hij belichaamde die zelf en koppelde het dienen aan zijn onbegrepen stervensboodschap: ‘… zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

Ze kwamen door Jericho, waar Jezus een blinde genas en stil hield onder een vijgenboom. Daarin zat Zacheüs, een rijke belastinginner, een heuler met de Romeinen. Zacheüs was klein, wilde Jezus graag zien en was daarom in deze boom geklommen. ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden,’ zei Jezus,’ want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.’ Jezus ‘moest’ naar Zacheüs’ huis. Hij kan en zal mensen die hem zoeken nooit negeren. Mocht jij tot die categorie behoren, weet dan dat hij dolgraag in je leven komt.

De omstanders mopperden dat Jezus onderdak zocht bij zondaar Zacheüs. Maar deze vertelde dat hij de helft van zijn bezittingen aan de armen gaf. Mocht hij iets hebben afgeperst, dan zou hij dat viervoudig vergoeden. Jezus was blij: ‘Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook hij is een zoon van Abraham. De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’

Ze gingen naar Betanië, waar Jezus en de opgestane Lazarus eregasten waren bij Simon de farizeeër. Zus Marta hielp met de bediening. Lazarus’ andere zus, Maria, stond bekend als een ‘zondares’. Met een exclusief kruikje nardusolie liep ze naar Jezus’ aanligbed. Ze huilde en haar tranen maakten Jezus’ voeten nat. Ze droogde ze af met haar haar, kuste ze en wreef ze in met de olie. Simon dacht: ‘Als hij een profeet was, zou hij weten wie de vrouw is die hem aanraakt, dat ze een zondares is.’ Maar Jezus vertelde hem hoe een geldschieter twee schuldenaars hun schulden kwijtschold. De een veel, de ander veel minder. Wie van de twee zou hem de meeste liefde betonen? Snapte hij het nu?

Bij de geur van de olie vroeg penningmeester Judas verontwaardigd waarom die olie niet was verkocht voor de armen. Judas gaf niet om de armen, maar mocht graag uit de groepskas graaien. Jezus nam Maria in bescherming. Ze deed dit alvast voor zijn begrafenis. Armen waren er altijd, maar hij niet.

De aanwezigheid van Lazarus bracht veel mensen tot geloof in Jezus. Daarom besloten de leiders ook hem uit de weg te ruimen. Leerling Judas nam ook een besluit. Hij stapte op de leiders af en vroeg wat het hen waard was als hij Jezus aan hen uitleverde. Ze betaalden hem dertig zilverstukken.

1. Dit hoofdstuk beslaat Matteüs 20:20-34; 26:1-16; Marcus 10:32-45; 14:1-11; Lucas 18:31-43; 19:1-10; 7:36-50; 22:1-6; en Johannes 11:55-12:11. De citaten komen uit Marcus 10:38, 42-44, 45; Lucas 19:5, 9-10 en 7:39.