133. Dromen

Oosterse magiërs brachten Jezus eer, terwijl de koning van de Joden hem dood wenste

In Jeruzalem pikten de leiders niets op van wat zich in Betlehem of in de tempel afspeelde. Zij schrokken zich een hoedje toen er dan ook ineens een aantal oosterse magiërs op de paleisstoep stonden met de vraag: ‘Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.’1 Het is veelzeggend dat alleen herders, die maatschappelijk amper meetelden, twee afgeschreven oudjes en deze buitenlanders belangstelling toonden voor Jezus.

In de familie van Herodes was recentelijk geen kind geboren. Die nieuwe koning moest dus uit een ander geslacht komen. Vorsten houden daar niet van. Zeker deze Herodes niet. Hij was bijna zeventig jaar oud en al drieëndertig jaar koning van de Joden. Hij had een imposante staat van dienst. Aan de ene kant had hij prachtige forten, paleizen en theaters laten bouwen. De tempel had hij gerestaureerd. Aan de andere kant was hij een wantrouwende tiran gebleken, die er niet tegenop had gezien eigen vrouwen en zonen uit de weg te ruimen, opdat ze zijn troon maar niet vroegtijdig zouden overnemen. Men zei dat het veiliger was zijn varken te wezen dan zijn zoon.

Herodes de Grote was alleen in naam een Jood. Hij kende de Geschriften amper. Maar hij wist dat zij een messias aankondigden. Daarom trommelde hij de intelligentsia van alle Joodse stromingen op, om te horen waar die messias geboren zou worden. Als uit één mond, verwezen ze naar de profeet Micha: ‘In Betlehem in Judea, want zo staat het geschreven bij de profeet: ‘En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden.’’
In een geheime ontmoeting met de magiërs gaf Herodes hen de plaatsnaam en vroeg wanneer zij die bewuste ster hadden gezien. De koning smoesde dat hij dat kind eer wilde bewijzen. Konden ze hem op hun terugweg het adres doorgeven?

De ster leidde de oosterlingen naar het huis in Betlehem, dat Maria, Jozef en Jezus inmiddels hadden betrokken. Ze brachten Jezus eer en boden goud, wierook en mirre aan als geschenken. In de tempel was veel goud. Wierook was er een basisingrediënt van het reukwerk en mirre van de heilige zalfolie.2 Een sterke hint dat ze in Jezus niet alleen een koning zagen, maar ook een priester.

Toen kwamen er dromen. In de eerste waarschuwde God de magiërs dat zij niet meer langs Herodes moesten gaan. De tweede droom kreeg Jozef. Hij moest met Maria en Jezus naar Egypte vluchten. Want zodra Herodes ontdekte dat de magiërs hem om de tuin hadden geleid, beval hij, volkomen naar zijn aard, dat in de streek van Betlehem alle jongetjes tot twee jaar oud omgebracht moesten worden.

In Egypte vertelde een engel enige tijd later in de derde droom aan Jozef dat Herodes ondertussen overleden was.3 Jozef kon met zijn gezin terug naar Israël. Toen ze daar aankwamen, bleek Herodes’ zoon Archelaüs op de troon van Judea en Samaria te zitten. Maar Archelaüs leek qua bruutheid veel op zijn vader.

In de vierde droom kreeg Jozef de aanwijzing zich weer in Nazaret in Galilea te vestigen, waar de mildere broer van Archelaüs, Herodes Antipas, regeerde.

1. Dit hoofdstuk is gebaseerd op Matteüs 2. De citaten komen uit Matteüs 2:2 en 6.
2. Exodus 30:34, 23-25
3. Toen Herodes besefte dat hij ging sterven, was hij bang dat niemand om hem zou rouwen. Daarom liet hij alle Joodse leiders gevangen zetten en droeg hij zijn zus Salomé op hen te laten ombrengen als hij overleed—dan zouden de Israëlieten tenminste oprecht rouwen. Gelukkig voor de leiders, heeft zij zijn wens niet uitgevoerd.