110. Dienaar

Net als David verbindt Jesaja Gods bevrijdende toekomst aan het lijden van Gods ‘dienaar’

In het boek Jesaja noemt God de gezalfde die het recht op aarde zal vestigen op twee plaatsen ‘mijn dienaar’. David (30 keer) en Mozes (29 keer) zijn degenen die God eerder bij uitstek ‘mijn dienaar’ heeft genoemd. Beide hebben het leven van de gezalfde aangekondigd en vooruitbeleefd.

Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem vind ik vreugde, ik heb hem met mijn geest vervuld. Hij zal alle volken het recht doen kennen. Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet, hij roept niet luidkeels in het openbaar; het geknakte riet breekt hij niet af, de kwijnende vlam zal hij niet doven. Het recht zal hij zuiver doen kennen. Ongebroken en vol vuur zal hij het recht op aarde vestigen. … [I]k neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen en maak je tot een licht voor alle volken, om blinden de ogen te openen, om gevangenen te bevrijden uit de kerker, wie in het duister zitten uit de gevangenis.1

Bevrijding lonkt. Maar zonet als Davids lijdenspsalmen al haden gedaan, vertelt God ook wat zijn dienaar hiervoor moet doorstaan:

Ja, mijn dienaar zal slagen, hij zal groots zijn, hoog verheven in aanzien. Zoals hij velen deed huiveren – zo gruwelijk, zo onmenselijk was zijn aanblik, zijn uiterlijk had niets meer van een mens –, zo zal hij veel volken opschrikken, en koningen zullen sprakeloos staan … . Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, … veracht, door ons verguisd en geminacht. Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd. Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing. [D]e wandaden van ons allen liet de HEER op hem neerkomen. Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, … deed hij zijn mond niet open. Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen. … Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen. Hij kreeg een graf bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken; toch had hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken. Maar de HEER wilde hem breken, hij maakte hem ziek. Hij offerde zijn leven voor hun schuld, om zijn nageslacht te zien en lang te leven. En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde. Na het lijden dat hij moest doorstaan, zag hij het licht en werd met kennis verzadigd. Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht, hij neemt hun wandaden op zich. Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen en zal hij met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood en zich tot de zondaars liet rekenen. Hij droeg echter de schuld van velen en nam het voor zondaars op.2

Dit lijkt een getuigenverslag als de film The Passion van Mel Gibson. Hij is eeuwen vóór Jezus’ martelgang opgeschreven. Herhaaldelijk staat er dat God dit per se wil. Jezus’ onterechte kruisiging was geen tegenvaller, maar gebeurde doelbewust. Hij droeg ons lijden, onze ziekten, wandaden, verachting en schuld, opdat wij welzijn, genezing, recht en leven ontvangen. Zover gaat Gods liefde.

1. Jesaja 42:1-7
2. Jesaja 52:13-53:12